
Zijn wieg stond in Woerden (1956) vlak bij de Oude Rijn. Daar groeide hij op in een nestje van zeven kinderen. Hij behoorde tot de drie groten. Dat leverde naast leuke dingen (later naar bed dan de vier kleintjes enz.), ook minder leuke verplichtingen op in de vorm van huishoudelijke taken zoals pap koken en afwassen. Achteraf heeft hij dat helemaal niet erg gevonden maar toch was het wel eens lastig. Ze hebben daar een tijd gewoond in een schitterend groot romantisch huis aan de Rijnkade. Een huis met drie zolders, een bedstede, geheime verstopplaatsen en een fijne tuin met drie perenbomen. Kortom een huis waar van alles te beleven viel. Was het niet in het huis of de tuin, dan was het wel rondom de Rijn. Vissen, kanovaren, vlotten bouwen, onder de brug door lopen via het remmingswerk waren terugkerende hoogtepunten. Zelfs schaatsen was daar toen nog mogelijk. Toen zijn ouders later verhuisden naar een huis in de polder hebben ze daar, terwijl de kinderen één voor één uitvlogen, nog een gelukkige tijd gehad.
Van jongs af aan is hij een avonturier geweest die zelf overal op af ging om iets te onderzoeken. Mijnheer van den End vertelt: “Mijn oma is mij bijvoorbeeld een hele middag kwijt geweest toen ik als driejarige met de step op pad was gegaan om treinen te bekijken.” Naar de kleuterschool in het centrum van Woerden is hij maar één keer gebracht. Daarna wist hij zelf de weg wel te vinden.Ook de basisschool leverde geen problemen op. Opstellen maken ging hem altijd wel goed af. Na het behalen van zijn mavo-diploma ging hij bij de belastingdienst werken. In die tijd is hij getrouwd, waarna ze zes kinderen (drie jongens en drie meisjes) gekregen. In 1990 kon hij beginnen aan de avond PABO-opleiding en daar voor is hij in 1994 geslaagd zodat zijn wens om in het onderwijs te mogen werken, vervuld is. In 1994 is hij op de basisschool begonnen.
Of hij vroeger veel las? Daar vertelt mijnheer van den End het volgende over: “Mijn vader kon uitstekend verhaaltjes vertellen. Iedere avond voor het naar bed gaan vertelde hij verhalen aan de vier kleintjes, maar de drie groten luisterden net zo hard mee. Ook werd er veel voorgelezen door mijn vader en moeder. Vooral W.G. van der Hulst was favoriet. Mijn vader bezat heel veel boeken die allemaal een plaatsje kregen in de vele boekenkasten verspreid over het hele huis. Boeken zijn je vrienden, en die stop je niet weg in een doos, maar die geef je een ereplaats, was zijn devies. Het is duidelijk dat bij ons thuis er van jongs af aan door ons veel gelezen werd.” En wat ik graag las? “Eigenlijk ben ik een veellezer. Vooral series hadden mijn interesse, want die kon je lekker lang lezen.(WG van der Hulst, Kameleon, Piet Prins, Sibe van Aangium en vele anderen) Bijna alle boeken die in huis waren/ kwamen werden door mij gelezen. Iedere schrijver heeft wel zijn eigen boodschap en stijl en eigenlijk zijn bijna alle thema’s wel interessant.”
Eigenlijk schreef hij vanaf zijn schooltijd al zo nu en dan artikeltjes en recensies voor kranten en (personeels)blaadjes. Meester Kees heeft ook een verhaal geschreven over zijn eerste kind, maar dat heeft hij nooit persklaar gemaakt. Het was “Nellie van Leerdam” , een collega uit het onderwijs, die hem aanraadde om ook de pen ter hand te nemen en een kinderboek te schrijven. Zij had inmiddels al een paar boekjes op haar naam staan en wist hoe het in uitgeversland er aan toe ging. Ik zag hoe weinig nieuwe boekjes er voor onze kinderen uitkwamen. En dat terwijl er in de winkels stapels nieuwe boekjes van zeer bedenkelijke inhoud werden aangeboden. Zo ben ik begonnen met mijn eerste manuscript “Freddy en zijn hamster”. Inmiddels is zijn ook volgende boeken verschenen, getiteld “Een konijn voor Freddy en Achmed”, “Freddy gaat verhuizen”, en “De legende van Folpert van ter Leede”.
Hoe zijn boeken ontstaan? Weer laten we meester Kees aan het woord: “Meestal heb ik een verhaal in mijn hoofd waar ik een hele poos over nadenk. Het liefst blijf ik zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid. Het verhaal “Freddy en zijn hamster” is echt gebeurd. Als het verhaal een beetje vaste vorm heeft aangenomen ga ik achter de computer zitten en type het achter elkaar uit. Al typend breng ik verbeteringen aan. Vervolgens laat ik het nog enige tijd op de computer staan om het nog eens en nog eens over te lezen en te zoeken naar nog betere woorden en uitdrukkingen. Vooral het werken op een laag AVI niveau vereist veel creativiteit om met korte woorden toch gevarieerd te vertellen. Als het eindelijk naar mijn zin is, stuur ik het naar de uitgever.”
De vraag aan hem is ook, voor wie hij het liefst schrijft. “Het liefst schrijft ik voor kinderen in alle leeftijden. Dit eerste boek is bedoeld voor jonge kinderen. Dat had te maken met het feit dat ik vond dat daar het meeste behoefte aan was. Op school heeft hij groep 5. Ook voor die leeftijd ben ik nu met een verhaal bezig. Soms vertel ik wel eens een stukje aan de kinderen om hun reactie te peilen. Ik ben meestal met een paar verhalen tegelijk bezig en vindt het heerlijk om aan kinderen te vertellen. Het opschrijven en verwerking kost meer tijd.” Wat betreft de reacties zijn boeken: “Gezien de leeftijd van de doelgroep komen de meeste reacties van de ouders van die kinderen. In de korte tijd dat het boekje is verschenen, heb ik al veel mensen erover gehoord. De kinderen die zelf het boekje gelezen hebben, komen dat soms vertellen. Dat is echt heel leuk. Al deze reacties geven moed om door te gaan met dit fijne werk. Zoals ik al vertelde kom ik in mijn werkveld veel in aanraking met kinderen van de doelgroep. Ook het uitproberen van een verhaal is mogelijk. Dit is natuurlijk een luxe waar niet iedereen over beschikt. Het belangrijkste is natuurlijk dat de boodschap die je probeert in het boekje te leggen overkomt.”
Reden om te schrijven voor hem is dat hij het fijn vindt om gedachten en verhalen aan anderen mee te delen. Soms is het de bedoeling een boodschap over te brengen d.m.v. een verhaal. Op school zit hij midden in het leesproces van kinderen. De manier om kinderen te laten lezen is iets te maken wat ze interessant of leuk vinden. Je mag daarom best eisen stellen aan een boek. Na ieder boek of verhaal is vaak de eerste vraag: Is het echt gebeurd? Als dat niet het geval is houden de vragen heel vaak op. Persoonlijk vindt meester Kees dat het waarheidsgehalte van een verhaal voor jonge kinderen echt hoog moet zijn. Dan nog de illustraties: Tekeningen moeten goed aansluiten bij het verhaal. Hierbij nog een compliment voor Fija Philips-Meijer, die mijn boekje uitstekend geïllustreerd heeft.”
De plaats waar hij schrijft, vindt hij niet zo belangrijk. “De afgelopen zomer had ik in ons vakantieonderkomen zin om een verhaal op te schrijven. Gelukkig had ik een paar schriften gekocht zodat ik mijn gang kon gaan. Voor de rest ben ik aan mijn computer gebonden. Ik ben nog maar net begonnen met schrijven, andere meer ervaren schrijvers zullen vast meer weten. Eèn ding wil ik wel kwijt: Hoe dichter bij de waarheid, hoe interessanter het verhaal. Eigenlijk zou ik best nog meer tijd aan schrijven willen besteden, maar naast het werk op school ben ik ook nog als organist verbonden aan de Hervormde gemeente te Montfoort (wat ook nog de nodige tijd vraagt). En natuurlijk wil ik ook de nodige tijd aan ons gezin besteden. Tenslotte ben ik blij dat mijn vrouw ook in deze van harte meeleeft en deelt in het wel en wee van het schrijverschap.”
Info: "Freddy en zijn hamster"
Uitgeverij Gebr. Koster, 2005
ISBN-Nummer: 9055513598
Paginas: 36