|
Recensies
Nergens thuis
|
..Wederom een mooi en ontroerend herschreven deeltje in de zondagsschoolboekjes-serie van schrijfster A. den Uil-van Golen. Deze keer gaat het over bochel Kees. Kees is vanaf zijn jongste begin mismaakt. Als hij geboren is, is er niemand die voor hem kan zorgen. Hij wordt te vondeling gelegd op een stoepje voor de kerk, waar hij door de Koster gevonden wordt. Vrouw Sanders neemt het op om voor hem te zorgen, zij overlijdt echter, waarna Kees alleen met baas Sanders overblijft.
Van deze Baas Sanders moet Kees maar al te veel horen dat hij eigenlijk teveel is. Kees weet eigenlijk niet wat dat betekent en daarom vraagt hij het aan de meester. Als de meester het uitgelegd heeft, is het hem duidelijk: eigenlijk wilde baas Sanders dat hij er niet zou zijn...
Op een dag is het baas Sanders allemaal te veel. Kees heeft die middag van Gerrit vier peren gekregen, die Gerrit uit de boomgaard gestolen had. Hij wordt verlinkt en ‘s avonds vindt baas Sanders de peren in de jaszak van Kees. Kees houdt zich slapende, maar hoort wel dat baas Sanders de volgende morgen hem aan gaat geven wegens diefstal. En dat terwijl hij zelf niet gestolen heeft!
Dit wordt ook voor Kees teveel. Hij schrijft een briefje aan baas Sanders en hij vertrekt met stille trom. Kees komt terecht in de stad, waar hij onderdak zoekt. Nergens wordt hij echter ontvangen. Ten lange leste komt hij terecht in een kerk, waar hij de galerij van het orgel op klautert. Sprakeloos luistert hij naar de prachtige klanken en verwonderd kijkt hij naar organist van Bosse...
Kees wordt liefdevol opgenomen in het huis met van Bosse en zijn vrouw, waar hij later ook als kind ontvangen mag worden. Bochel Kees mag het, in al zijn verdriet en na al wat hij meegemaakt heeft, leren om eenvoudig tot de Heere te bidden. Soms is het alsof hij de stem van vader van Bosse weer hoort, als hij in bed ligt: “Kees als we alleen zijn of als we verdriet hebben, mogen wij dat ook tegen de Heere vertellen. Hij ziet ons altijd en overal. Hij wil zo graag onze stem horen.” Dan slaat Kees de dekens terug en knielt voor zijn ledikantje en kinderlijk bidt hij: “Heere Jezus, ik ben ‘bochel Kees’. Ik weet wie mijn moeder was, maar ze is dood. Wie mijn vader was, weet ik niet, maar nu heb ik een vader en een moeder gekregen. En toch ben ik verdrietig. Heere Jezus, mag ‘bochel Kees’ ook een nieuw hart van U krijgen?....”
Dat is de les van dit boekje. Onze lichamelijke tekortkomingen staan God niet in de weg om een nieuw hart te schenken. Hij wil er om gevraagd en om gebeden zijn! Dit eenvoudige boekje wensen wij in veler handen. |
|
|